Interview Luis Zamorano Garrote Mobile
Interview met Luis Zamorano Garrote
Luis Zamorano Garrote / Project ‘Gijzelaar’ Antwerpen
In een vriendenboekje uit het vierde leerjaar schreef hij al: “later word ik architect”. En ondanks een kleine uitstap naar de rechten, kwam hij thuis in de studie architectuur.
Met het zicht op het MAS en om de hoek de Scheldebocht, is ENOF verankerd in de koekenstad. Luis spreekt dan ook met passie over de projecten die hij al in Antwerpen maar ook ergens anders verwezenlijkte. Één ding hebben ze allemaal gemeen : een sterke focus op duurzame stedenbouw en het creëren van collectieve woonmodellen die inspelen op de veranderende behoeften van de stad.
Van jeugddroom tot maatschappelijke relevantie
Luis — ” Mijn initiële drijfveer was gebaseerd op een romantisch idee dat ik als klein kind had: het idee dat je iets kunt bedenken wat altijd zal blijven staan, ook nadat je er zelf niet meer bent. Ik zag mezelf altijd al in een witte helm met grote plannen op een werf, naar aannemers toe gaan en samen dingen bedenken en uitwerken. De realiteit is dan misschien iets minder romantisch, maar het idee van samenwerken met anderen is en blijft mijn grote drijfveer.”
De realiteit is voor sommigen inderdaad soms een ontnuchtering, hoe is jouw visie op de job en zijn verantwoordelijkheden door de jaren heen geëvolueerd?
Allereerst moet je je back office op orde hebben, zodat je op een gewetensvolle en grondige manier architectuur kan maken. Ook “nee” durven zeggen tegen projecten waar het niet mee matcht en nadenken of er wel een klik is met een bepaald project is essentieel.
ENOF architectuur / Project ‘Schellebelle’ / Wichelen
“We zijn niet alleen de architect maar ook de
bezieler van een het project.”
Hoe komen je ontwerpen tot stand?
Luis — “Onze ontwerpen zijn absoluut niet van een enkele architect, maar afkomstig van het gehele team. Ik beschouw mezelf voornamelijk als een klankbord en een paraplu voor de visie: mijn rol is ervoor te zorgen dat de ideeën binnen de vastgestelde visie en doelstellingen van het bureau blijven. We streven ernaar om samen de beste ideeën op tafel te leggen. Iedereen pitcht mee: van stagiairs en projectarchitecten tot senior projectarchitecten. Als een stagiair een beter idee heeft dan de architect zelf, dan wordt dat idee onverbiddelijk uitgevoerd.
Veel inspiratie halen we uit de context van de stad en de brede maatschappij, omdat we bijna uitsluitend werken in dorpskernen en stadscentra.
Ook de geschiedenis van de stad dient als inspiratiebron. Alles in de architectuur is eigenlijk al eens verzonnen; ontwerpen is het maken van een remix om tot nieuwe inzichten te komen.
Een interessante quote die ik hierbij hanteer, is eentje van mijn voormalige werkgever b0b Van Reeth: “Architectuur is te belangrijk om alleen aan architecten over te laten.”
We ping-pongen graag met externe partijen zoals klanten, studiebureaus, aannemers, om het project beter te maken. Ook de invloeden van mensen die geen architecten zijn maar wel betrokken zijn bij het project, zijn heel waardevol.”
Zijn er bouwheren waarmee het makkelijker of moeilijker pingpongen is? Hoe zou je het pingpongen met LIFE omschrijven?
Luis — “Ja zeker, de match tussen opdrachtgever en architect is een niet te onderschatten factor voor het succes van een project. Zowel architecten als ontwikkelaars gaan daar te licht mee om naar mijn mening. Wij denken a priori vaak ‘ik overtuig ze wel en cours de route’, wanneer dat niet lukt komt het project onder druk te staan, daar wordt niemand beter van. Ik heb door de jaren heen moeten leren om opdrachten te weigeren wanneer het niet klikt.
LIFE is net zoals ENOF niet bang om nieuwe paden te bewandelen en ik apprecieer heel erg het gevoel van vertrouwen dat we krijgen als ontwerpers.
Toon en ik kennen elkaar al heel lang en hebben vroeger samen gebouwen ontworpen toen er nog geen sprake was van LIFE of ENOF, dus wij weten wat we aan elkaar hebben. Wij kunnen brutaal eerlijk zijn tegen elkaar en dat heeft een positief effect op de projecten. Geen compromis-architectuur.”
Waar, vind je, kan je het verschil maken als bureau?
Luis — “Wij hebben naast onze ontwerppraktijk ook een onderzoekscel waarbij we het traditionele proces opdraaien: in plaats van te vertrekken vanuit een specifieke opdracht van een klant, reflecteert de onderzoekscel op wat de stad nodig heeft of wat een toekomstvisie voor de stad is. Vanuit deze onderzochte noden wordt bedacht waar en hoe zo’n waardevol concept gerealiseerd kan worden. De onderzoekscel brengt dan de juiste mensen bij elkaar (investeerders, ontwikkelaars, de stad) om de visie te realiseren.
De opgebouwde, diepgaande expertise stelt ons in staat om een bemiddelende rol te spelen en de dialoog aan te gaan tussen de stad, de opdrachtgever en de buurten, wat zorgt voor gedragen en haalbare projecten.
In tegenstelling tot de meeste architectenbureaus proberen in onze projecten echt een duidelijke focus te hebben. We denken voornamelijk na over hoe mensen op grote schaal samenwonen en samenwerken in de stad. Dat is het. Ons beroep is heel generalistisch, zonder focus is het heel moeilijk om een expertise uit te bouwen. Ik denk dat wij daar als architecten nood aan hebben. Heel af en toe maken we eens een uitstapje naar een exotische functie, maar dat is heel beperkt.”
Luis Zamorano Garrote / Project ‘Gijzelaar’ Antwerpen
Op welk project ben je het meest trots en waarom?
Luis — “Natuurlijk ben ik trots is op alle projecten. Architectuur maken is bijzonder moeilijk en elk gebouwd project is een overwinning op zich.
Er is echter één categorie van projecten waar ik bijzonder trots op ben, en dat zijn de projecten die voortkomen uit die onderzoekscel van het bureau.
Wanneer we erin slagen om een project dat we van de oorsprong af zelf hebben bedacht, ook effectief gebouwd te krijgen, geeft dat veel voldoening. We zijn niet alleen de architect maar ook de bezieler van het project. Als het resultaat dan is dat de buurt en stad er beter van worden en zowel de klanten, als de toekomstige bewoners gelukkig zijn, is dat iets om heel fier op te zijn.
Een project waar ik bijzonder naar uitkijk en dat me echt nauw aan het hart ligt, is het eerste project voor de huisvesting van tijdelijke werkkrachten in Antwerpen. Hoewel dit misschien niet als de meest sexy opdracht klinkt, heeft het een zeer grote maatschappelijke meerwaarde.
Tijdelijke werkkrachten zijn een onzichtbare groep die vaak in zeer slechte omstandigheden leven, en we voelen een grote verantwoordelijkheid om daar iets aan te doen, samen met ontwikkelaars en investeerders. Dit project, dat nu binnenkort van start gaat, is het resultaat van langdurige studie en overleg, gericht op het creëren van kwalitatieve woonprojecten op ongebruikelijke plekken, vaak bij industriezones of havenactiviteiten.
We onderzoeken momenteel ook andere woonmodellen die aanleunen bij co-housing en gericht zijn op jongere mensen die voor het eerst in de woonmarkt stappen. Daar is nood aan en de klassieke woonmodellen bieden vaak geen oplossing. We hopen daar op korte termijn ook een aantal concrete projecten rond te kunnen realiseren.”
Huis van Roosmaalen / b0b Van Reeth © AWG architecten
Welk project, in Antwerpen of elders, wou je dat je zelf had ontworpen en waarom?
Luis — “Het huis van Roosmaalen op de hoek van de Sint-Michielskaai en de Goedehoopstraat, omwille van de absolute wereldklasse en de historische betekenis van het ontwerp.
Dit gebouw is ontworpen door b0b Van Reeth, die een grote invloed heeft gehad op mijn vormingsjaren. Het gebouw bevat veel van b0b’s stijl, het maniërisme, en toont een uitstekend gevoel voor detail en materialiteit. De manier waarop het gebouw op de hoek staat als volumetrie spreekt tot de verbeelding, en het interieur en het exterieur zijn op een eveneens meesterlijke manier samengebracht.
b0b was de eerste die zei dat we onze rug niet moesten toekeren naar de Schelde, maar dat we naar de Schelde moesten kijken. Hij was de eerste die het gebied aan de kaaien niet langer zag als een achterbuurt, maar als de “piano nobile van de stad” waar men zou moeten wonen om de relatie met de Schelde te herstellen.
Het krijgt onterecht niet genoeg aandacht, en ik kijk er nog steeds met grote bewondering naar.”
Zijn er toevallig project ontwikkelaars die net zoals Bob als eerste de kwaliteit van de Schelde hebben ontdekt en omarmd?
Luis — “Ik ken er toevallig wel één die de kaaien in de jaren 1990-2000 volbouwde (lacht). Dat was vóór mijn tijd, maar ik denk dat ik het laatste gebouw van LIFE op de kaaien heb mogen ontwerpen. Mijn eerste project, geen slechte binnenkomer. Toen ik aan b0b meldde dat ik ging stoppen om ENOF op te starten zei hij: ‘ik probeer al 30 jaar nog eens op de kaaien te bouwen en jij, snotneus, krijgt er jouw eerste project’.”
Geen keurslijf, wel een kostuum met een beetje overmaat
Wat betekent duurzame stedenbouw voor jou?
Luis — “Het belangrijkste beginsel van duurzame stedenbouw start volgens mij bij de vraag : “Hoe kunnen we de noden van de stad van vandaag opvangen zonder de toekomst te hypothekeren?”
Dit vereist een lange termijnblik en een open vizier om steden leefbaar, veerkrachtig en toekomstbestendig te maken.
Duurzame stedenbouw is geen vaststaand begrip omdat ook de uitdagingen voortdurend veranderen : vroeger ging het over de verkrotting van binnensteden, vandaag gaat het meer over uitdagingen zoals de mobiliteit congestie en de ontharding van de ondergrond.
Aangezien men bijna zeker weet dat de uitdagingen van de steden over 50 jaar anders zullen zijn, is het essentieel om een soort flexibiliteit in te bouwen voor de behoeften van morgen.”
Hoe kunnen jonge architecten/ stedenbouwkundigen van vandaag hier mee aan de slag?
Luis — “Door gelijktijdig te denken aan verleden, heden en toekomst: dit vertaalt zich in ontwerpen die eerst proberen te herbestemmen of gebruiken wat er reeds is en ook flexibel zijn – niet geheel toegespitst op één functie of één gebruik, zodat ze geen keurslijf vormen. Ook bij nieuwbouw is het belangrijk om te denken aan de toekomst, zodat een gebouw zich over 50 jaar makkelijk laat verbouwen en herbestemmen als dit nodig zou blijken. Duurzame en aanpasbare gebouwen hebben vaak ietwat repetitieve structuren maar die wel helder zijn en een scala aan functies toelaten.
Het belang van flexibiliteit mag een ontwerper niet beperken tot het ontwerpen van saaie lege dozen. Het is een zoektocht naar de verhouding tussen generiek en specifiek.
Wat is voor jou de belangrijkste/ meest innovatieve ontwikkeling van de laatste jaren?
Luis — “De belangrijkste ontwikkeling van de laatste jaren is de hernieuwde aanpak van circulariteit en herbestemming. Niet zo lang geleden dacht men in termen van ‘moeten we het behouden?’ en nu is het eerder: “kunnen we het behouden?”
Het lijkt me een goede evolutie om nieuwbouw als laatste optie te houden. Er zijn te veel voorbeelden van gebouwen die na 25 jaar worden afgebroken om een gelijkaardig volume te voorzien in de plaats. In de jaren ’80 en ’90 werd vaak niet over herbestemming nagedacht. Zuinigheid op vlak van gebruik van materialen interesseert me heel erg. Ik schrijf momenteel mijn doctoraat over de toekomst van na-oorlogse kantoorgebouwen in de binnenstad.
Moet alles wat een architect ontwerpt, een visie hebben, of geloof je ook in L’art pour l’art?
De fysieke verschijning van een gebouw is het resultaat van analyse en geen doel op zich. Aangezien functies van gebouwen veranderlijk zijn, moet een gebouw geen keurslijf zijn, maar een kostuum met wat overmaat waarin men kan groeien.
Ik geloof wel in het nut van schoonheid en ornament. Schoonheid kan namelijk een functie hebben, zoals het geven van identiteit aan het gebouw of de bewoners, of het leggen van een relatie tussen het gebouw en de stad.
De maatschappelijke verantwoordelijkheid weegt voor mij echter zwaarder dan louter esthetiek.”
LUIS & LIFE: a match made in Antwerpen
Ik las ergens dat het contact met Serge Hannecart cruciaal was voor jou en voor ENOF, kan je daar iets meer over vertellen?
Luis — Serge Hannecart was mijn eerste opdrachtgever en ik kijk heel liefdevol op die periode terug. De aanleiding was een schets die ik had gemaakt voor een groot stuk grond aan het eilandje dat in bezit was van mijn familie. Deze schets begon te circuleren en bereikte Serge Hannecart (toen van Himmos), die mij vervolgens opbelde. Ik was nog erg jong, pas afgestudeerd, geen portfolio, dus dat contact was voor mij enorm indrukwekkend. Hoewel het initiële project niet doorging, kwam ik Serge later weer tegen, wat resulteerde in het project op de Kaai. In de jaren daarna ontving ik nog projecten van en via Serge, die mij ook aanraadde bij andere mensen. Dit zorgde voor een echte turbo op het bestaan en de lancering van ENOF.
Hoe heeft deze samenwerking je verdere manier van werken beïnvloed?
Luis — “Ik denk dat zowel Serge als ik mensen zijn die graag pionieren. We zwemmen graag wat tegen de stroom in. Zijn manier van naar de dingen kijken heeft mij ongetwijfeld beïnvloed, zo aan het begin van mijn loopbaan.”
Hoe kwam het project Prince tot stand? Wat waren hier de belangrijkste klemtonen die je wou leggen en beschouw je die als geslaagd?
Luis — “Het project Prince kwam oorspronkelijk uit een kleine wedstrijd. Toon Haverals kende ik van mijn stage en we waren elkaar terug tegengekomen. Samen hielden we vriendschappelijke brainstormsessies over de ideeën voor het gebouw, nog voordat het project goed en wel was opgestart. Ik had hier wel wat ideeën over hoe het gebouw eruit moest zien, waaronder het concept van een dubbele kroon, wat essentieel was voor de verhouding van dat gebouw. Na deze brainstormsessies vroeg Toon uiteindelijk of ENOF wilde optreden als ontwerpend architect voor het project.
Het Prince project was eigenlijk een echte droomjob, namelijk het mogen meewerken aan een toren in mijn eigen stad, ondanks dat het gebouw oorspronkelijk een stedenbouwkundig “accidentje” was. Er waren veel ontwerp-vraagstukken die aansluiten bij het DNA van ENOF: hoe werkt een toren tussen de historische laagbouw van de binnenstad? Hoe maak je collectiviteit in een verticaal gebouw van deze schaal? Welke ingrepen kan je maken binnen een bestaande torenstructuur om verschillende soorten ruimtes te maken? Allemaal bijzonder complexe vragen waar we graag een antwoord op boden.
Het blijft een project waarop ik vaak word aangesproken en waar mensen mij van kennen.”
LIFE x ENOF architectuur / Project ‘Prince’ / Antwerpen
LIFE x ENOF architectuur / Project ‘Prince’ / Antwerpen
Wat betekend LIFE voor jou?
Luis — “Ik denk dat dat te reduceren valt tot één kernwoord: pionieren. Het is een soort gedurfdheid die we delen: we doen de dingen niet omdat ze zo horen, maar omdat we denken dat ze belangrijk zijn.”
De toekomst van het Vlaamse woonideaal
Hoe zie je de toekomst van architectuur/samenleven?
Luis — “We moeten de manier waarop we wonen durven in vraag gaan stellen. De architectuur van de toekomst moet een antwoord bieden op het Vlaamse woonideaal van de vrijstaande woning, wat absoluut niet houdbaar is. Dit ideaal wordt vaak geassocieerd met vrijheid en groen, het idee van het gemaakt te hebben – daar kan ik me iets bij voorstellen. Echter de maatschappelijke problemen die daardoor ontstaan zoals het aansnijden van groen en mobilitieitscongestie zijn niet te overzien.
Een van de pistes vooruit kan liggen in onderzoek naar woonmodellen met gedeelde functies en voorzieningen dicht bij (of in) de stad. Verschillende alternatieve manieren van vastgoed verwerven zullen ook aan belang winnen in de nabije toekomst.”
Wat zijn hierbij de grootste obstakels?
Luis — “Het overtuigen van mensen van nieuwe woonmodellen is een zaak van lange adem. Ik denk niet dat het helpt om mensen te demoniseren die in een vrijstaand huis willen wonen, maar eerder om hen een aanlokkelijk alternatief te bieden. Vandaag zoeken we naar nieuwe woonmodellen die evenveel kwaliteit en comfort bieden, maar beter passen bij de realiteit van onze steden en samenleving. Door mensen te inspireren met sterke voorbeelden, kunnen we dat klassieke ideaal stap voor stap aanvullen met nieuwe mogelijkheden.
Een van de pistes om stedelijk wonen aantrekkelijker te maken voor de non-believers kan liggen in het delen van infrastructuur en voorzieningen. Verschillende woningen die een grote, groene ruimte delen die je anders nooit zou kunnen hebben in de stad, zo’n dingen.
Als er sterke voorbeelden zijn, zullen de early adopters daar gaan wonen en positieve voorbeelden zijn die het klassieke woonideaal stap voor stap kunnen veranderen.”
Wat vind je van de leuze “verdichten om te vergroenen”?
Luis — “Verdichting is een onvermijdelijkheid waar we niet omheen kunnen, omdat we meer en meer mensen moeten huisvesten. Verdichting dient meerdere maatschappelijke doelen, waaronder het aanpakken van de mobiliteit congestie en het vrijmaken van groene ruimte.
Als ontwikkelaars en architecten samenzitten om te studeren op de juiste plekken om op een waardevolle manier te verdichten, dan zijn er zeker nieuwe kansen. Maar verdichten doe je niet alleen door middel van hoogbouw, zoals ontwikkelaars soms wel denken. Hoogbouw is slechts 1 van de tools.”
Luis Zamorano Garrote / Project ‘Gijzelaar’ Antwerpen
En als allerlaatste, wat is jouw kleine ‘gelukske’?
Luis — “Ik heb er veel hoor. Maar ik denk gewoon op bureau, als iedereen hier weg is, een glaasje whisky inschenken, uitkijkend hier op het MAS, dat vind ik fantastisch. Ik zou het meer moeten doen.”
Dan wensen we jou nog vele woontorens en whiskey’s toe, bedankt Luis!